Gedoogbeleid

Nederland hanteert een gedoogbeleid. Het uitgangspunt hiervan is dat een scheiding van de soft- en harddrugsmarkt de volksgezondheid ten goede komt. Het gedoogbeleid houdt in dat Nederland de verkoop van hasj en wiet onder een aantal strikte voorwaarden tolereert, ondanks dat de Opiumwet de productie, het bezit en de verkoop van cannabis strafbaar stelt. De gedoogvoorwaarden zijn verwoord in een aantal criteria. Een onderneming die deze regels niet naleeft riskeert een tijdelijke of definitieve sluiting en vaak ook een boete. De overheid controleert strenger en met grotere regelmaat dan in andere branches.

De criteria zijn in 1992 geformuleerd als de AHOJ-criteria. Later is daar het G-criterium bijgekomen, en in 2013 het I-criterium met ruimte voor lokale implementatie en handhaving. Het voorgestelde B-criterium (besloten club) is niet toegevoegd aan de criteria. De letters in de afkorting AHOJG-I staan voor de voorwaarden waaraan cannabisondernemingen moeten voldoen om binnen het gedoogbeleid te functioneren.

A - Affichering; een cannabisonderneming maakt geen reclame voor de onderneming of voor de producten.
H - Harddrugs; een cannabisonderneming opereert in een strikt gescheiden markt en verkoopt cannabis en geen alcohol of andere (hard)drugs.
O - Overlast; een cannabisonderneming veroorzaakt geen overlast voor de omgeving, dus ook geen hinder door fout geparkeerde auto's, luidruchtig verkeer of groepen hangjongeren.
J - Jongeren; een cannabisonderneming laat geen jongeren onder de 18 jaar toe en ziet daar strikt op toe.
G - Grote hoeveelheden; een cannabisonderneming verkoopt niet meer dan vijf gram per dag aan een persoon.
I - Ingezetenen; een cannabisonderneming verkoopt alleen aan bezoekers die aan kunnen tonen dat ze in Nederland wonen.

Lees meer over het gedoogbeleid op de website van de Rijksoverheid.

Succesvol gedoogbeleid krijgt internationale navolging

De ervaring en cijfers leren ons dat Nederland niet méér cannabisconsumenten heeft dan andere Europese landen. Ook liggen het gebruik van harddrugs en het aantal drugsdoden in Nederland ver onder het Europese gemiddelde. Het gedoogbeleid -en daarmee de relatief eenvoudige manier om cannabis te kunnen kopen- heeft niet geresulteerd in een toename van de cannabisconsumptie, maar in relatief weinig harddruggebruik en een afname van het aantal drugsgevangenen. Het succesvolle gedoogbeleid van Nederland is jarenlang kritisch gadegeslagen.

Internationaal gezien bewegen steeds meer landen zich naar het Nederlandse model. Portugal, Tsjechië, België, Spanje, de Verenigde Staten, Uruguay en andere landen in Zuid-Amerika zetten allemaal in op decriminalisering van cannabis (cannabis uit het criminele circuit halen). De Amerikaanse staten Colorado en Washington zijn deze weg al actief ingeslagen en in Uruguay is cannabis in december 2013 volledig gelegaliseerd.

Des te vreemder is het dat Nederlandse beleidsbeslissers in dezelfde periode de mogelijkheden die het gedoogbeleid biedt, steeds meer aan banden leggen. Deze beweging lijkt voort te komen uit de wens om hinderlijke situaties tegen te gaan. Met name in Maastricht en een aantal andere grensgemeenten ervaart de overheid overlast van relatief grote aantallen coffeeshopbezoekers uit de buurlanden. Als reactie hierop scherpt de overheid het landelijk gedoogbeleid steeds verder aan. Deze ontwikkeling is ingegeven door Justitie, maar staat op gespannen voet met de bescherming van de volksgezondheid waarop het gedoogbeleid van oudsher is gericht.

Volksgezondheid of Justitie

De hard- en softdrugmarkt zijn gescheiden omwille van de volksgezondheid. De coffeeshops in Nederland opereren vanuit dit perspectief. Regelgeving en handhaving van het gedoogbeleid vinden hun oorsprong echter in het strafrecht. Dit vraagt om een goede afstemming binnen de verschillende ministeries, waarbij de basis -scheiding van markten omwille van de volksgezondheid- niet uit het oog mag worden verloren.

In 1995 hebben de toenmalige ministers van Justitie (Sorgdrager) en Volksgezondheid (Borst) de zogenaamde Paarse Drugsnota ('Het Nederlandse drugbeleid: continuïteit en verandering') ontwikkeld. Grote stappen maakten ze echter niet, omdat ze zich ook aan de internationale verdragen wilden houden. In plaats van verdere decriminalisering en regulering van de achterdeur, kozen de bewindslieden voor repressie en meer en strengere regels aan de voordeur. In 2011 presenteerde de minister van Justitie, Ivo Opstelten, een aantal verstrekkende maatregelen om eventuele hinderlijke situaties te voorkomen. Deze maatregelen -de wietpas (een ingezeten criterium en besloten club), een beperking van het thc-gehalte en een minimale afstand tot scholen- staan echter haaks op het decriminaliseren van cannabis en zetten het succesvolle gedoogbeleid in Nederland op de helling.

De branche zet in op beleid dat wel een positieve bijdrage levert aan het voorbeeldbeleid van Nederland, namelijk op regulering van cannabisteelt, -transport en -inkoop (de 'achterdeur').